Historie

Limburg is genoemd naar de burcht "Limbourg", gelegen aan het riviertje de Vesdre in de Ardennen, die de zetel was van een middeleeuws vorstendom waarvan ook een gedeelte van het Maasland ten noorden van Luik deel uitmaakte. Na de Napoleontische tijd voegden de grote mogendheden het gebied bij het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, waartoe ook Belgie behoorde.

Limburg in de huidige vorm werd pas in 1867 de elfde provincie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Tot de Franse revolutie was dit gebied in politiek opzicht zeer versnipperd. Delen vielen in de afgelopen tien eeuwen onder het graafschap Loon, de hertogdommen Brabant, Limburg, Gelre en Gulik, en het prinsbisdom Luik. De Oostenrijkse, Pruisische, Republikeinse, Franse en Spaanse machthebbers beschouwden het vaak als een randgebied waar weinig grote belangen lagen. Er werden vooral oorlogen gevoerd om grotere gebieden te behouden. Limburg was enkel en alleen het strijdtoneel

Politiek gezien was Limburg traditioneel een lappendeken, wat gedeeltelijk de grote verscheidenheid aan dialecten kan verklaren: elke gemeente heeft zijn eigen dialect, waarbij er soms binnen een gemeente grote verschillen kunnen bestaan.

Pas in de Franse tijd, die begon met de Franse inname van Maastricht in 1794, werd het gebied tot een bestuurlijke eenheid gemaakt. De Fransen noemden hun nieuwe departement, dat bestond uit Nederlands en Belgisch Limburg, Nedermaas

Na de terugtocht van de Fransen in 1813-1814 werden de Zuidelijke Nederlanden in bezit genomen door Willem I als Soeverein Vorst. Op het Congres van Wenen werd de kaart van Europa opnieuw getekend. Frankrijk werd teruggebracht tot zijn grenzen van 1792, en men stelde tussen het nieuw gecreëerde Koninkrijk der Nederlanden en Pruisen een grens vast. Het oude departement Nedermaas werd een nieuwe provincie, die van Willem I hoogstpersoonlijk de naam Limburg kreeg. De nieuwe provincie kreeg, evenals het Frans departement Nedermaas, Maastricht als hoofdstad. Eerst zou de provincie Maastricht hebben geheten, maar op expliciet verzoek van koning Willem zelf, werd het nieuwe gebied provincie Limburg genoemd. Daarmee keerde de naam van een van de oude gewesten van de Nederlanden terug op de kaart, hoewel maar een heel klein deel van de nieuwe provincie ook tot het oude hertogdom behoord had.

Bij de scheiding van Nederland en België in 1830 was er sprake van dat Limburg een onderdeel van België zou worden. Binnen het Verenigde Koninkrijk werd deze provincie Limburg tot de zuidelijke provincies gerekend. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de Belgische opstand van 1830 het nieuwe België Limburg tot zijn grondgebied rekende. De vestingen Maastricht en Venlo bleven echter in handen van de Noord-Nederlandse garnizoenen. Bij de eerste verdragsvoorstellen van 1831 werd Limburg in zijn geheel toch aan België toegewezen. De Tiendaagse Veldtocht veranderde deze situatie.

Scheidingsverdrag
foto: Scheidingsverdrag met België

Net als Luxemburg zou ook Limburg nu worden gesplitst in een Belgisch en een Nederlands deel. Deze splitsing kreeg haar beslag bij de uiteindelijke vrede tussen de twee landen in 1839. Het gebied ten oosten van de Maas plus Maastricht werd de Nederlandse provincie Limburg met Maastricht als hoofdstad, het gebied ten westen van de Maas werd de Belgische provincie Limburg met Hasselt als nieuwe hoofdstad.

Op 19 april 1839 werd via het Londense Tractaat geregeld dat Koning Willem 1 volledige vrijheid kreeg voor wat hij wilde doen met het Nederlandse deel van Limburg. Hij kon kiezen door het te voegen bij Groot Hertogdom Luxemburg of door het te voegen bij het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Voorts werd overeengekomen dat hij als Hertog van Limburg zou toetreden tot de Duitse Bond, opdat deze Bond een compensatie zou krijgen voor het uittreden van het aan België toegewezen deel van het Groot-Hertogdom Luxemburg. Willem I voegde het nieuw verworven gebied bij het Koninkrijk der Nederlanden. Op 16 Augustus 1839 deed hij aan de Bondsvergadering het voorstel om het hele territoir dat hem in de vroegere provincie Limburg was toegewezen, met uitzondering van de vestingen Maastricht en Venlo, als Hertogdom Limburg in de Duitse Bond te doen opnemen.

Op dit hertogdom zouden de bepalingen van de Bondsconstitutie van toepassing zijn, zodat Limburg een contigent troepen beschikbaar zou houden en in oorlogstijd de zijde van de (Duitse) Bond zou moeten kiezen. Op 5 September 1839 aanvaardde de Duitse Bondsvergadering te Frankfurt aan de Main deze regeling, die weliswaar de mogelijkheid tot conflicten openliet, maar waarschijnlijk de beste regeling was die er toen te bereiken viel.

De inwoners van Nederlands Limburg waren nu niet alleen Nederlanders geworden maar ook nog Duitser. Limburg kwam als 11de  provincie bij Nederland maar Koning Willem I koos er toen voor om Limburg onder de Duitse Bond te laten vallen. Afgezien van de vestingsteden Maastricht en Venlo was het zowel Nederlands als Duits gebied. Hoewel Maastricht dus niet tot het gebied van de Duitse Bond ging behoren, werd deze vestiging aangewezen als garnizoensplaats voor het Bondscontigent. Bij Verdrag van Londen op 11 mei 1867 kwam een einde aan de merkwaardige situatie dat Limburg zowel een integraal bestanddeel was van het Koninkrijk der Nederlanden als van de Duitse Bond.

Vanaf 1867 is Limburg dus echt alleen een provincie uniek van en in  Nederland.

Zoeken

Uitgelicht

Zoeken